"Mijn geloofwaardigheid hangt samen met mijn Zultse dialect"

Wouter Berlaen-31.jpg

"Mijn geloofwaardigheid hangt samen met mijn Zultse dialect"

Singer-songwriter en bassist Wouter Berlaen over de definitie van cultuur

Gepubliceerd door Davidsfonds op 2 augustus 2023

“'k E in Zulte 'n stuk grond gekocht mee prikkeldroad zonder snuk. En 't stond oek ol een uizeken'ip: de definitie van geluk”, klinkt het in de wondermooie ode aan zijn geboortedorp. Wie naar Wouter Berlaens muziek luistert, is maar beter het Zultse dialect meester. “Of niet”, als je het de singer-songwriter en bassist zelf vraagt, “ik zie mijn muziek als een middel om een bepaald gevoel over te brengen. Om dat te begrijpen, hoeven we niet dezelfde taal te spreken.”

Hij stond al jaren op de planken als bassist van onder andere K3 en Raymond van het Groenewoud, en toch duurde het tot 2011 voor Wouter Berlaen als puurste versie van zichzelf – de Zultenaar – op het podium kroop. “BERLAEN, zoals mijn soloproject heet, was een creatief ei dat ik mezelf altijd beloofd had. Toen ik afstudeerde in 2002, nam ik me voor om als freelance muzikant niet alleen ten dienste te staan van anderen. Met eigen projecten wilde ik mezelf af en toe mentale zuurstof schenken. In 2006 bracht ik mijn eerste jazzplaat uit – ik ben jazzmuzikant van opleiding –, vijf jaar later bundelde ik de eerste Zultse liedjes. Nooit had ik verwacht dat die ‘Zultse zever’ de nationale radio zou halen.”

‘DIE VAN ZULTE’

Als symbool kan het wel tellen, jezelf op de kaart zetten als ‘die van Zulte’. Je woont er intussen al jaren niet meer, toch blijft de gemeente aan je ribben kleven. Waarom?

“Als je van Zulte bent, blijf je altijd Zultenaar. Waar je je ook neerpoot, je raakt dat nooit kwijt. Tijdens mijn opleiding woonde ik vijf jaar in Brussel. Een grote cultuurshock: de hele wereld die ik daar leerde kennen, staat haaks op de kleine kosmos van Zulte. Na mijn periode in Brussel woonde ik nog een jaar in mijn geboortedorp. Die terugkeer was vreemd, want plots moest ik wennen aan de volkscultuur die altijd deel had uitgemaakt van mijn leven. Door afstand te nemen van Zulte kon ik er met andere ogen naar kijken. De lelijke kanten van de plek vond ik ineens mooi, en tegelijk zag ik de plek op andere vlakken lelijker worden. In dat aantrekken en afstoten van Zulte ligt de basis van mijn songwriting: mijn nummers zijn allemaal weergaven van hoe ik de wereld zie. Soms wat aangedikt, maar door de band genomen wel hoe ik het leven ervaar. De basis van mijn kijk op de dingen is in Zulte gelegd.”

Je eigen nummers breng je in het Zultse dialect. Omdat je zo met je geboortedorp verankerd bent waarschijnlijk een voor de hand liggende keuze?

“In mijn dialect zingen is voor mij de meest geloofwaardige manier om iets te brengen. Ik schreef ook al enkele Engelstalige nummers, maar die bracht ik niet uit omdat ze niet als ‘mij’ voelen. Vrienden beamen dat: ‘Da’s allemaal vree tof Wouter, maar da zijde gij nie.’ Mijn geloofwaardigheid hangt samen met mijn dialect. Zelfs in Limburg of de Kempen voel ik me op mijn best in het Zults, ook al verstaan de mensen me daar nauwelijks. Ik vind het belangrijk dat mijn boodschap overkomt, maar eigenlijk staat die bijna los van de taal die ik daarvoor gebruik. Ik trad bijvoorbeeld al enkele keren op in Brussel voor een Franstalig publiek. Niemand die begreep wat ik aan het zingen was, maar achteraf hoorde ik dat mijn boodschap wel was aangekomen. Voor cultuur hoef je niet dezelfde taal te spreken, het is het gevoel waarover het gaat.”

“In het begin van mijn singer-songwrite-carrière verontschuldigde ik me voor mijn dialect, legde ik uit vanwaar ik kwam en waarom ik op een bepaalde manier klonk. Dat heb ik achter me gelaten. Het Zults is de enige manier om op een authentieke manier op een podium te staan. Dat Zults, dat komt recht uit mijn hart.”

Dialecten, eigen aan een volkscultuur, verdwijnen meer en meer. Betreur je dat?

“Aan de ene kant wel. Dialecten evolueren. Er zijn er maar weinig – zoals het Aalsters – die beperkt ruimte laten voor evolutie. Zo’n dialect klinkt en swingt als het Frans of het Spaans en zouden we als erfgoed moeten beschermen. Aan de andere kant vind ik evolueren noodzakelijk. Taalverandering maakt daar deel van uit. Van oudere Zultenaren – de generatie van mijn grootouders – hoor ik dat ik geen ‘echt’ Zults spreek, omdat mijn dialect anders klinkt dan dat van hen, maar dat maakt het niet minder authentiek.”

“Wat wel nog meer mag veranderen, is de trots van Oost-Vlamingen op hun dialect. Als kameleons passen we ons vaak aan aan de taal van onze gesprekspartner. Nee nee, laat ons maar ons plat boerentaaltje spreken. Waarom zouden we dat niet mogen laten horen? ’t Ligt ier ollemoale ijstrie schijstrie toeupe te perre, da’s een uitdrukking die mijn moeder vroeger gebruikte als mijn broer en ik de living weer eens niet opgeruimd hadden. Het zou toch jammer zijn mocht dat sappige verdwijnen?”

CONNECTIE MET RAVEEL

“'t Es ier da mijn vier blijft brand'n”, zing je in de Definitie van geluk. Voor dat nummer liet je je inspireren door een werk van die andere Zultenaar, Roger Raveel.

“De band die ik met Raveel heb, is groot door onze gemeenschappelijke factor, maar ook zonder dat had ik hem een inspiratiebron gevonden. Ik ben fan van zijn harde, realistische maar toch abstracte kijk op de dingen. Het geniale aan zijn werk is dat iedereen er iets mee kan. Raveel was een simpele mens, gaf de dingen op een eenvoudige manier weer, maar grote kunstliefhebbers kunnen heel wat lagen in zijn werk ontwaren – zelfs wanneer hij helemaal geen gelaagdheid nastreef. (lacht) Dat is het fijne aan cultuur, dat je er zoveel betekenis aan kan geven als je zelf wil. Die dualiteit tussen De Grote Kunst en de simpelste eenvoud vind ik interessant. Cultuur is opvoeden, mensen af en toe een spiegel voorhouden, maar moet ook ruimte laten voor de fantasie van de consument.”

“Dat is wat ik zelf ook probeer te doen: als ik een nummer schrijf, wil ik dat de specialist er alle lagen kan afkrabben én dat mijn negentigjarige meetje, dat niks van muziek kent, ervan kan genieten. Slaag je erin die twee uitersten te combineren, dan ben je met kunst bezig. Ik wil iets maken wat uit mezelf komt en waarover mensen een mening mogen hebben. Of die nu positief of negatief is, het belangrijkste is dat mijn werk iets beweegt. Liever heb ik dat mensen me komen vertellen dat ze mijn muziek slecht vinden, dan dat ze onverschillig hun schouders ophalen. Cultuur moet mensen raken, op eender welke manier. En voor de duidelijkheid: ik trek parallellen tussen Raveels schilderkunst en mijn muziek, maar wil me niet vereenzelvigen met zijn niveau. Raveel was geniaal, ik ben dat hoegenaamd niet.” (lacht)

“Om terug te komen op Definitie van geluk: dat nummer schreef ik voor Kleur in e-mineur van Radio 1, een oproep naar muzikanten om rond een beeldend kunstwerk een nummer te creëren. Ik koos voor ‘Man met ijzerdraad in de tuin’, een werk dat voor mij metaforisch is voor het geluk dat voor je voeten ligt, waar in de tijd of ruimte je je ook bevindt. We hoeven niet altijd grote, wereldse ambities te koesteren. Die gedachte viel ook Raveel te beurt. Toen Hugo Claus hem voor de voeten wierp dat hij het in New York had kunnen maken, antwoordde Raveel laconiek: ‘Och Hugo, ooit moeten we toch allemaal dood’. Raveel had het eender waar in de wereld succes kunnen hebben, maar in zijn atelier tussen de Zultse velden was hij thuis. Dat is heel herkenbaar.”

CULTUUR IS COMMUNICEREN

De projecten waaronder je tot nu toe je schouders zette, zijn heel divers: je stond op het podium met Kapitein Winokio en K3, maar ook met Clara Cleymans en Raymond Van het Groenewoud. Je speelde op grote festivalpodia en in cafés voor vijf man en een paardenkop. Wat is de rode draad daarin?

“Goesting. Een onweerstaanbare drang om iets te doen, da’s wat mij drijft. De gulden regel is: op het podium geef je álles, welk publiek je ook voor je krijgt, dus doe ik alleen wat ik graag wil doen. En opnieuw: het is niet erg als mensen iets niet goed vinden, dat is eigen aan creëren. Dat zie ik bij mijn kinderen ook: wat zij goed vinden, is allesbehalve altijd mijn genre. (lacht) Maar dat zij losgaan op #LikeMe en ik daar net iets minder mijn gading in vind, is helemaal oké, hé. Ik vind het net waardevol dat ze zich een mening kunnen vormen over iets, ook al is dat een andere dan de mijne. Cultuur beleven is erover communiceren. Als ouder is het belangrijk dat je kan meegaan in de passie van je kind, dat je kan genieten van het feit dat je zoon of dochter betoverd wordt door iets. En vind je het allemaal kitsch, trek dan de wereld open en bied net iets andere cultuurvormen aan.”

“Cultuur is groot en klein, over geen enkele vorm hoeven we neerbuigend te doen. Het is op grote podia spelen, maar ook de volkscultuur mee in ere houden. In 2005 speelde ik een benefietconcert voor het behoud van Hof te Boelake, een Zultse hoeve. Het initiatief kwam van mede-Zultenaar en erfgoedfreak Peter Bral. Het heeft heel wat voeten in de aarde gehad, maar de site is uiteindelijk beschermd geworden. Dat doet denken aan een actie van Raveel: dankzij Raveel op de Leie, een project waarvoor hij een vlot van vuilniszakken met daarop een schilderij de rivier op liet, zorgde hij ervoor dat de oude Leiearm in Machelen-aan-de-Leie bewaard is gebleven. En zo is de cirkel rond. Een beetje rebellie en het establishment af en toe eens tegen de schenen schoppen: ook dat is cultuur. Daar zet ik met plezier mee mijn schouders onder.” (glimlacht)

Labels: Kunst & Cultuur Mens & Maatschappij Religie & Zingeving Taal Thema