150 jaar Davidsfonds, een beweging die verenigt

Jubileumfeest - 150 jaar Davidsfonds

150 jaar Davidsfonds, een beweging die verenigt

Gelegenheidstoespraak van de Nationaal Voorzitter, de heer Peter De Wilde

Gepubliceerd door Davidsfonds op 19 januari 2026

TOESPRAAK NATIONAAL VOORZITTER | Davidsfonds vierde een heel jaar lang haar 150 jarige bestaan. Op 17 januari 2026 hield Davidsfonds de feestelijke slotviering van dit Jubileumjaar.  Tijdens de druk bijgewoonde academische zitting ging de nationaal voorzitter van Davidsfonds de heer Peter De Wilde dieper in op het thema 'Toekomstvisie: een nieuwe Vlaamse Beweging: De opdracht en rol van Davidsfonds voor het Vlaanderen van morgen'.

Zijn volledige toespraak kun je hieronder nalezen. 

Onderaan vind je ook de link terug naar de pdf-versie van de toespraak.

“150 jaar Davidsfonds, een beweging die verenigt”

 

Vandaag ronden we samen het 150ste werkjaar van ons Davidsfonds af. Er zijn weinig organisaties die het zo lang volhouden. Als Davidsfonds vandaag nog bestaat en floreert, komt dat doordat het nog altijd een antwoord biedt op een fundamentele behoefte van de Vlaming. De basisopdracht van Davidsfonds is mensen in Vlaanderen samen te brengen via het beleven van taal, cultuur, geschiedenis, erfgoed. Davidsfonds was sinds de oprichting in 1875 een strijdvereniging. Toen er van de Vlaamse ontvoogding en de erkenning van de Vlaamse taal nog weinig sprake was, stond Davidsfonds op de barricade om druk uit te oefenen van onderuit. Het had een missie van volksverheffing, zoals dat toen nog mocht heten.

“De basisopdracht van Davidsfonds is mensen in Vlaanderen samen te brengen via het beleven van taal, cultuur, geschiedenis, erfgoed”

Die oude bewoordingen brengen ons, vandaag meer dan ooit, dicht bij onze wortels. De Davidsfondsleuze “Voor godsdienst, taal en vaderland” is nog altijd relevant, maar we vullen die nu anders in. ‘Godsdienst’ staat uiteraard voor de fundamentele christelijke waarden waarop onze westerse beschaving en onze Vlaamse samenleving steunen. De steunbeer ‘taal’ is meer dan ooit aan de orde als essentieel bindmiddel van ons volk. De notie ‘vaderland’ staat voor de Vlaamse identiteit; je ergens geworteld voelen, hangt immers samen met je beleving van thuis. Thuis is de plek waar we wonen en ons verbonden kunnen voelen, en die plek op de wereld heet nu eenmaal Vlaanderen. Die beleving van “thuis” staat bij velen onder druk. We worden allemaal geacht wereldburgers te zijn geworden, het gevolg is dat nooit tevoren zovele mensen zich eenzaam of ontheemd zijn gaan voelen.

“Voor Davidsfonds is een Vlaming niet iemand die een stamboom tot 1302 moet kunnen voorleggen, maar iemand die verbinding zoekt met onze manier van samenleven, in een bepaald waardenkader op onze plek op deze wereld.”

Vlamingen zijn anders dan Engelsen, Maori’s of Iraniërs. Waarin schuilt dat anders zijn? Alleszins niet in de holle beweringen van een bloed en bodem-ideologie. Davidsfonds kan bouwen op zijn 150-jarige traditie om op dergelijke essentiële vragen rond identiteit met serieuze antwoorden voor de dag te komen. Voor Davidsfonds is een Vlaming niet iemand die een stamboom tot 1302 moet kunnen voorleggen, maar iemand die verbinding zoekt met onze manier van samenleven, in een bepaald waardenkader op onze plek op deze wereld. En daarvoor moet je niet persé over een academische graad beschikken, veel geld op de bank hebben of in de traditionele gezinsvorm passen. Wat gisteren relevant was, is dat niet noodzakelijk vandaag, maar de essentie van waarom Davidsfonds handelt naar zijn overtuiging blijft na anderhalve eeuw overeind, en roept ons vandaag sterker dan ooit op tot actie.

In de tijd van mijn grootouders waren de boeken van het Davidsfonds voor boeren en arbeiders een betaalbare en toegankelijke manier om te kunnen lezen, zich te ontwikkelen en vooruit te komen in het leven. Belangrijk in de geschiedenis van Davidsfonds was het moment waarop we, vrij snel na onze stichting, zijn gaan beseffen dat ons hoogste doel moest zijn om onze mensen voor zichzelf te leren denken via lectuur, zelfstudie, het zelf op zoek gaan naar kennis, expressie en cultuurbeleving. Dat was belangrijk in een maatschappij die niet alleen langs economische maar ook culturele lijnen verdeeld was tussen haves en have-nots. We geloofden toen en geloven nu nog steeds dat jezelf verbeteren niet alleen een eerbare socio-economische doelstelling is, maar ook een culturele en maatschappelijke.

“Dat is de uitdaging waar het Davidsfonds nu voor staat, en waartoe we eigenlijk zijn geroepen: we kunnen mee verhelpen aan die diverse vormen van ongeletterdheid.”

Jezelf verbeteren betekent je eigen lot verbeteren, bijvoorbeeld door je beter verbonden te weten in een lokale gemeenschap. Taal is daarbij een belangrijke hefboom, want het gebruik van het Nederlands is een prominente, misschien wel dé meest prominente integrator. Vroeger stond het Nederlands onder druk door het Frans, nu door het Engels of zelfs door een gebrek aan taal. Bij een virtueel bestaan online speelt taligheid ook meestal een minder belangrijke rol. En toch is een gedachte onder woorden kunnen brengen en delen met anderen, de kern van hoe we verbinding leggen. Een gedachte die je voor jezelf helder kunt formuleren, moet je ook helder kunnen uitleggen. Wanneer mensen in een gesprek er niet in slagen om hun punt helder uiteen te zetten, is dat voor mij een alarmsignaal, want het kan wijzen op een gebrek aan taalvaardigheid of op een slordig tot stand gekomen gedachte. Ik zou hier Einstein kunnen citeren, maar doe dat liever niet.

We gaan intussen naar een nieuwe relevantie van taligheid. Het gaat daarbij niet meer om een gebrek aan talenkennis. Het gaat nu om culturele ongeletterdheid. Wanneer we met jongeren een cultuurtempel of een kerkgebouw binnenstappen, stellen we vaak vast dat zij (en meer en meer ook wij) er niet meer in slagen om te ‘lezen’ of te interpreteren wat daar te zien is en om het een plaats geven in onze eigen leefwereld. Er is minder diepgang bij het historisch kaderen van wat zich rondom ons afspeelt; dat was trouwens het eerste motief van kanunnik David om de ideeën voor een culturele missie ter tafel te leggen. Daarmee wil ik niet zeggen dat we terug moeten naar de methodes van vroeger, maar we zijn wel een aantal zaken uit het oog verloren die terug een waarde zouden mogen krijgen. Dat is de uitdaging waar het Davidsfonds nu voor staat, en waartoe we eigenlijk zijn geroepen: we kunnen mee verhelpen aan die diverse vormen van ongeletterdheid.

We stellen vast dat geletterdheid heel verschillend kan zijn al naar gelang de context. We zijn met Davidsfonds daarom bv. gestart met de schoolbibbon waarmee scholen een klasbibliotheek kunnen uitbouwen (want het bestaan daarvan is al lang geen evidentie meer). We weten bv. dat er meisjes zijn die vanuit een culturele of religieuze achtergrond thuis niet mogen lezen. Wij geloven in de zelfredzaamheid van de mens, maar die moet ook de mogelijkheid daartoe krijgen. Dat wil niet zeggen dat we mensen moeten bekeren tot een andere wereldvisie of een ander geloof. We kunnen wél mensen handvaten aanbieden om uit te zoeken welke waarden onze samenleving stutten en er gedragen worden, zoals bv. de gelijkheid tussen man en vrouw of de waarden die maken dat we ons thuis voelen in onze gemeenschap. De waarde van een inclusief gemeenschapsdenken dus.

“De waarde van een inclusief gemeenschapsdenken”

Wat betekent in dat verband inclusiviteit voor Davidsfonds anno 2026? Davidsfonds vertaalde in de vorige eeuw inclusiviteit naar sociaal opwaartse mobiliteit. Wie zich in het arme Vlaanderen - zoals het toen werd genoemd - wou onttrekken aan zijn lot kon dat via onderwijs en zelfontwikkeling. Inclusiviteit is in de jaren 1970/1980 geëvolueerd naar een doelgroepenbeleid gericht op jongeren, senioren, mensen met een migratieachtergrond of met een beperking. We zijn in Vlaanderen wereldkampioen in hokjesdenken, maar Davidsfonds gelooft niet dat denken in doelgroepen een heilzaam pad is. Mensen kunnen immers tegelijkertijd in meerdere doelgroepen zitten, of in geen enkele van diegenen die men nu relevant acht. Wij geloven daarentegen in het concept deelgroepen. Een deelgroep is een stuk van een groter, samenhangend maatschappelijk geheel, onze Vlaamse gemeenschap.

Je deel voelen van een groter geheel betekent dat je je gaat identificeren op basis van gedeelde waarden of eventueel zelfs van een gedeelde identiteit. Toegegeven, dat is een heel moeilijk speelveld. Davidsfonds had zich daar, na de Egmont-generatie, volledig uit teruggetrokken en was daardoor – we moeten dat durven toegeven – zijn eigenheid een stuk kwijt gespeeld. Maar onze strijd is niet gestreden, enkel de barricaden zijn veranderd.

“Het is belangrijk dat mensen zich kunnen verbinden met een gedeelde identiteit. Als deel van de groep blijf je je identificeren en thuis voelen, niet als een aparte doelgroep, maar als een schakel in een breder organisch samenhangend geheel.”

Na lange interne gesprekken met brede groepen uit onze vereniging, hebben we enkele jaren geleden onze statuten gewijzigd. We hebben het belang van de beleving van de Vlaamse identiteit naar voor gehaald en ook de christelijke wortels opnieuw een belangrijke plek gegeven. Niet om mensen uit te sluiten, maar wel om te tonen dat we willen bouwen op waarden en dat we ‘identiteit’ geen vies woord vinden als die inclusiviteit nastreeft. Het is belangrijk dat mensen zich kunnen verbinden met een gedeelde identiteit. Als deel van de groep blijf je je identificeren en thuis voelen, niet als een aparte doelgroep, maar als een schakel in een breder organisch samenhangend geheel.

De traditionele doelgroepenbenadering zoals de overheid die vandaag nog steeds decreteert, heeft er enkel toe geleid dat mensen in een hokje werden gestopt waar ze heel moeilijk uit geraken; en er komen nog elke dag hokjes bij, zo lijkt het wel. Heel het socio-culturele weefsel heeft zich georiënteerd op dat doelgroependenken. Resultaat? De afgelopen dertig jaar de is de cultuurparticipatiegraad, hoezeer de overheid die ook aangemoedigd heeft, niet gestegen. Als oplossingen niet werken, moet je op zoek naar andere en je daarbij afvragen of je wel de juiste vragen stelt. En situaties in vraag stellen om ze te verbeteren, daar zijn we goed in bij Davidsfonds.

We hebben het voorbije feestjaar dus gebruikt om onze lokale afdelingen te bevragen naar de manier waarop zij hun rol in het maatschappelijke weefsel zien; jullie vinden de weerslag hiervan via de diverse “vensters” in ons feestboek, waarvan we straks het eerste exemplaar zullen overhandigen aan de minister-president. Onze afdelingen hebben massaal en enthousiast geantwoord op nogal wat vragen. Hoe hebben ze de fundamentele opdracht van het Davidsfonds waargemaakt in het verleden en hoe doen ze dat vandaag nog altijd? Waar zijn ze trots op en waarop willen ze de komende jaren inzetten? Davidsfonds kampt daarbij uiteraard met de uitdagingen die vele verenigingen het hoofd moeten bieden. Zo is de manier waarop mensen vandaag lid zijn uiteraard anders dan 150 jaar geleden, 50 jaar geleden of zelfs nog maar 10 jaar geleden. Het lidmaatschap an sich staat overal onder druk en het engagement ten bate van een bepaald ideaal wordt vandaag anders ingevuld dan vroeger. Een langdurig engagement, bij wijze van spreken van de wieg tot de kist, is zeldzaam geworden. Ik hoor in de lokale afdelingen dan ook vaak de verzuchting dat het moeilijk geworden is nieuwe vrijwilligers te vinden.

“Zeker is dat in de huidige maatschappij het merendeel van de mensen zich niet meer engageert vanuit een traditioneel ideologisch of religieus bewustzijn. Ook al is er met dat traditionele engagement absoluut niks fout.”

Je wervende kracht afmeten aan de mate waarin je bestuursleden of actieve vrijwilligers kan werven, heeft in Vlaanderen een lange traditie. We moeten met Davidsfonds daarvan loskomen en veeleer peilen naar de drijfveren van een engagement. Een engagement kan ook projectgebonden zijn, en dus per definitie eindig in de tijd. Daar is niks fout mee. We mogen vandaag al blij zijn dat er nog mensen zijn die een kortstondig engagement willen opnemen. De drijfveren van die mensen kunnen wel heel verschillend zijn. Zeker is dat in de huidige maatschappij het merendeel van de mensen zich niet meer engageert vanuit een traditioneel ideologisch of religieus bewustzijn. Ook al is er met dat traditionele engagement absoluut niks fout. Het engagement van vele Davidsfondsers groeit vandaag vooral uit reflectie en opinie. Zelf ben ik met mijn pragmatische “zien, oordelen en handelen” misschien nog altijd een oude Kajotter, geïnspireerd door de visie van Jozef Cardijn. Engagement groeit zeker ook uit inspiratie. Ik vind die zoals velen bij Davidsfonds in het Christendom en in onze geschiedenis, maar we blijven niet in het verleden hangen, kijken met open blik vooruit en handelen doelbewust. Daarop stoelt ook mijn geloof in en actiebereidheid voor Davidsfonds.

“…dat we een bijna ISO-gecertifieerd recht hebben op een beleving van 20 tot 22 uur. Wanneer we buiten gaan, kunnen we het ons permitteren de avond af te sluiten zonder enige vorm van verder engagement.”

En actie is wel degelijk nodig! We moeten niet alleen een antwoord vinden op het tanend langlopend engagement. Daarnaast is er ook de enorme keuzerijkdom en keuzevrijheid van mensen die maken dat we ons sterk moeten positioneren. Daarbij werken we in een kader waarin de overheid zélf steeds meer zaken heeft overgenomen van het middenveld. De organisatie van het culturele leven in Vlaanderen verloopt ofwel via gesubsidieerde actoren of via de overheid zelf. Een cultureel centrum in een gemeente dat zijn programma opstelt en top-down een aanbod formuleert, is totaal iets anders dan vrijwilligers die de handen in elkaar slaan om samen iets te organiseren. Toen rond 1970 de gedachte postvatte dat iedere lokale overheid een eigen cultureel centrum of geprofessionaliseerde cultuurmedewerkers moest hebben, is de cultuurspreiding die hieruit volgde in menig opzicht een zegen gebleken, maar werd tegelijk veel van het vrije initiatief de adem ontnomen. Het idee dat we, om cultureel geëngageerd te zijn, enkel nog een kaartje moeten kopen voor een voorstelling heeft de overhand gekregen. We zijn cultuurconsumenten geworden, klanten van voorstellingen. We weten dat we een bijna ISO-gecertifieerd recht hebben op een beleving van 20 tot 22 uur. Wanneer we buiten gaan, kunnen we het ons permitteren de avond af te sluiten zonder enige vorm van verder engagement.

“Begeestering kan de overheid niet opleggen, dat kan alleen ontstaan door mensen dichtbij te laten komen bij wat ze écht belangrijk vinden.”

Een wereld van verschil met een culturele creatie die van onderuit wordt aangeboden door organisaties en vrijwilligers. Daar gaat veel werk aan vooraf en nadien is het niet afgelopen. Er wordt een soort nalatenschap opgebouwd van mensen die elkaar misschien hebben gevonden door samen te werken aan een project en die misschien goesting hebben gekregen in meer. Wanneer iets als een transactie top-down wordt aangeboden is er geen sprake van het aangaan van een verbinding. We zijn in dat gesubsidieerd transactionele in Vlaanderen, onder het mom van efficiëntie, te ver doorgeschoten. Alleen al dààrom is het een goede zaak dat het subsidie-denken in vraag wordt gesteld. Op veel plekken voelen mensen al dat ze iets missen. Ze gaan in nieuwe samenwerkingsvormen aan de slag om iets te doen voor de lokale gemeenschap en zitten daarbij niet persé op een subsidie te wachten. Davidsfonds wil weg van het afhankelijkheidsdenken en opnieuw aansluiting zoeken bij wat mensen kan samenbrengen en begeesteren.

Begeestering kan de overheid niet opleggen, dat kan alleen ontstaan door mensen dichtbij te laten komen bij wat ze écht belangrijk vinden. Davidsfonds brengt dit in de praktijk door de begeestering bij de mensen te kanaliseren en te versterken via lezen, reizen, leren en ontmoeten. Wij hebben, in tegenstelling tot 150 jaar geleden, ons territorium niet meer zuilgebonden afgepaald. Davidsfonds wil impulsen tot creativiteit en vernieuwing blijvend van onderuit laten komen, uit de inzet van vrijwilligers, en die impulsen ondersteunen met ons professioneel kader. We willen liever niet afhankelijk zijn van overheidsbemoeienis, ook al moeten we vandaag erkennen dat optornen tegen het geprofessionaliseerde cultuurconsumentisme voor een vrijwilligersorganisatie quasi onmogelijk is zonder steun, van waar die ook moge komen.

“Met Davidsfonds pleiten we voor de intrinsieke waarde van cultuur, niet als ornament of instrument maar als fundament van onze gemeenschap”.

We vinden vrijwilligersengagement namelijk belangrijker dan een alles beheersende overheid die investeren in cultuur alternerend, afhankelijk van wie aan de macht is, beoordeelt op grond van economisch nut of moreel activisme. Met Davidsfonds pleiten we voor de intrinsieke waarde van cultuur, niet als ornament of instrument maar als fundament van onze gemeenschap.

Wij willen tegen de stroom in niet verzaken aan onze overtuiging. Namelijk dat onze diepste levensvervulling voortkomt uit wat ooit de grote idealen van de Bildung waren, in Vlaanderen vertaald als de missie “Levet Scone”. Jezelf intellectueel ontwikkelen en je eigen lot en dat van je gemeenschap verbeteren, staan centraal en kunnen via het verwerven van wetenschappelijke kennis of kunstzinnige ervaring meer nog dan door het verwerven van rijkdom of wereldse status (ook al hoeven ze mekaar niet uit te sluiten). Muziek, literatuur, natuurobservatie, poëzie of wiskunde zijn niet elitair, maar moeten voor elke Vlaming toegankelijk en beleefbaar zijn. We moeten mensen zelfredzaam maken, zodat het niet aan de overheid of de media is om te bepalen hoe mensen mogen denken of welk cultuuraanbod voor welke doelgroep aan de orde moet zijn. Alleen al voor de realisatie van die gedachte is Davidsfonds het aan zijn 150-jarige geschiedenis en de tientallen generaties die ons zijn voorgegaan, verplicht er nog eens 150 jaar bij te doen.

En die verplichting reikt verder dan onze eigen vereniging. In zijn lange geschiedenis is Davidsfonds een beweging geweest die erin slaagde te verenigen. Of dat nu in de taalkundige en culturele ontvoogding was, de marsen op Brussel, het falen van het Egmontpact en de erop volgende stichting van het Overlegcentrum van de Vlaamse Verenigingen (OVV): Davidsfonds stond en staat boven de politiek, maar nam steeds het voortouw om vanuit een politieke en maatschappelijke noodzaak, groepen te verenigen voor een gecoördineerde Vlaamse stem, voortdurend in beweging door samenwerking en soms interne conflicten, maar altijd met een gemeenschappelijke horizon voor ogen.

“Het is tijd voor een vernieuwing van de Vlaamse Beweging die opnieuw naar de onze essentie teruggrijpt. […] Daarom roep ik vandaag vanuit Davidsfonds, alle Vlaamse verenigingen en burgers die streven naar een sterker, warmer, inclusiever, welvarender en autonoom Vlaanderen, opnieuw op tot een hechtere samenwerking”

Maar… die oude Vlaamse Beweging heeft de laatste decennia aan relevantie ingeboet, het steriele zaad van menig niet ter zake doende discussie die er werd gevoerd is op de rotsen gestort, er werden gevechten gevoerd die in wezen nooit tot de kern van die Beweging hebben behoord of die de harten niet massaal sneller doen slaan. De stem van die oude Vlaamse Beweging kan niet meer begeesteren en wordt in politieke en culturele middens niet meer gehoord, althans: er wordt niet meer naar geluisterd. Nochtans is uit wat ik hierboven aanhaalde duidelijk, dat onze Vlaamse stem meer dan ooit opnieuw moet klinken. Daarom neemt Davidsfonds vandaag de handschoen opnieuw op. Het is tijd voor een vernieuwing van de Vlaamse Beweging die opnieuw naar de onze essentie teruggrijpt en in staat is brede groepen in Vlaanderen opnieuw te verbinden en te begeesteren.

Daarom roep ik vandaag vanuit Davidsfonds, in navolging van mijn voorgangers Emiel Vliebergh in 1911 en Clem De Ridder in 1965, alle Vlaamse verenigingen en burgers die streven naar een sterker, warmer, inclusiever, welvarender en autonoom Vlaanderen, opnieuw op tot een hechtere samenwerking. Ik vat de kernpunten van dat gezamenlijke streven waartoe we oproepen nog even samen:

  1. We staan voor een Vlaamse identiteit die mensen verenigt en niet verdeelt. Vanuit gedeelde waarden definiëren we onze “thuis”, dat wil zeggen “Vlaanderen”. Dat doen we niet vanuit verkokerde doelgroepen maar als deelgroepen van een gemeenschap. Want gemeenschap vormen is een actieve keuze, elke dag opnieuw. Niet onze afstamming is van belang, wel het idee van een gedeeld verleden, van een culturele affiniteit en van collectieve waarden. Dit zijn waarden zoals vrijheid, gelijkheid en solidariteit die wortelen in de Verlichting, en waarop onze democratie is gestoeld. Vanuit die waarden streven we als individu en als gemeenschap naar excellentie. Een gedeelde beleving van onze cultuur, geschiedenis en erfgoed kan, mag en moet leiden tot een gevoel van trots op onze plek op het internationale podium. In ons streven naar internationale excellentie moeten we kunnen bouwen aan en op sterke en onafhankelijke culturele en wetenschappelijke Vlaamse instellingen en verenigingen. Beknotting van respectabele Vlaamse culturele en wetenschappelijke instellingen, zoals dat onlangs nog gebeurde, is, wanneer die niet op objectieve kwaliteitscriteria is gebaseerd, beneden alles en moet ongedaan worden gemaakt. Enkel door het besef van onze eigen waarde zullen we onze cultuur op het internationale toneel staande kunnen houden en onze blik en ambitie resoluut naar de buitenwereld blijven richten. Fier op hier, maar wel radicaal internationaal!
  2. We streven vanuit gelijkwaardigheid naar een actief burgerschap waarbij mensen minstens lokaal verbinding zoeken en daarbij het Nederlands gebruiken. De Nederlandse taal is de enige bestuurstaal op ons grondgebied en het voornaamste bindmiddel van onze gemeenschap. Taalfaciliteiten die na het vaststellen van de taalgrens in 1963 zijn ingesteld, werken dit tegen; ze zijn daarom vandaag achterhaald en dienen te verdwijnen. De taalwet in onze hoofdstad Brussel dient strikt toegepast en actief gehandhaafd. Maar Vlaanderen zal internationaal zijn of niet zijn: we houden wél onze blik op de wereld gericht en bepleiten de versterking van de kennis van meerdere talen in ons onderwijs en daarbuiten. Een gemeenschap die het principe van meertaligheid als troef uitspeelt, versterkt daardoor tegelijk de positie van de eigen taal.
  3. Taligheid is meer dan talenkennis en zit ook in culturele, digitale, historische, religieuze en andere geletterdheid. Het kunnen beleven van onze cultuur, geschiedenis en erfgoed is, naast het bereiken van economische zelfstandigheid, de belangrijkste bron van zelfontwikkeling en streven naar excellentie voor de Vlaming. Cultuurbeleving moet compromisloos gericht zijn op kwaliteit én toegankelijkheid. De ondersteuning van zelfontwikkeling via initiatieven vanuit burgers en hun verenigingen, moet daarbij voorgaan op een aanbod gecreëerd vanuit de overheid. Zelfredzaamheid op basis van eigenaarschap en vrijwilligerschap blijft te verkiezen boven afhankelijkheid van een overheid. We willen een grondige herziening van het Vlaamse cultuurbeleid dat deze principes als uitgangspunt moet nemen.
  4. Daarnaast is er uiteraard de cultuurtoeleiding van de jonge Vlaming. Cultuurbeleving leer je best vroeg in het leven smaken, niet alleen vanuit de thuiscontext maar ook van op de schoolbanken; en niet alleen om je kennis te vergroten, maar ook om je besef te voeden dat we best wel trots mogen zijn. We vragen daarom aan het kabinet Onderwijs om lespakketten, schoolreizen of daguitstappen met het oog op kennisopbouw van de Vlaamse geschiedenis en het Vlaamse erfgoed, maximaal te faciliteren. Niemand zou, bij wijze van spreken, de schoolbanken mogen verlaten zonder de vredesboodschap van de Vlaamse Velden of de fierheid op onze Vlaamse meesters van kunst en wetenschappen. En ja, daar hoort ook de leesbevordering bij, met een florerend landschap van Vlaamse auteurs.

Wie de illusie koesterde dat voorgaande streefpunten eigenlijk door de tijd zijn achterhaald, heeft de afgelopen jaren op een andere planeet geleefd. Nu Vlaanderen effectief meer bevoegdheden heeft, moet het ook tonen dat het hierin beter kan doen dan de oude unitaire staat. Wie de actualiteit volgt, beseft dat we hier nog ver vanaf staan.

“Laat dit dan een oproep zijn om samen de Nieuwe Vlaamse Beweging vorm te geven. Die reikt verder, ambieert hoger en graaft dieper dan de ontvoogding van gisteren.”

Wanneer we onze wortels niet meer kennen, de fierheid op eigen kennen en kunnen afwijzen en het bon ton is om op de eigen culturele identiteit neer te kijken in zelfafbraak en schaamte, wordt het helder welke hedendaagse barricaden we dienen te bestijgen. Daar waar we vandaag de economische hefbomen van de Vlaamse autonomie meer en meer zelf in handen nemen, laten we de teugels van ons andere paard in het sterke Vlaamse tweespan, onze culturele identiteit, te veel vieren. Een natie bouwt niet alleen op sterke economische fundamenten maar ook, en misschien bovenal, op een gedeelde beleving van zijn culturele identiteit en verlichtingswaarden, en op een inclusief en open burgerschap.

Laat dit dan een oproep zijn om samen de Nieuwe Vlaamse Beweging vorm te geven. Die reikt verder, ambieert hoger en graaft dieper dan de ontvoogding van gisteren: verder, omdat ze autonomie ruimer ziet dan economie, en eigenaarschap boven afhankelijkheid stelt; hoger, omdat ze geen compromissen sluit rond de kwaliteit van onze taal en cultuurbeleving, en volksverheffing opnieuw tot een streven maakt; dieper, omdat ze bouwt op de verlichtingswaarden en wortels die van Vlaanderen onze thuis maken.

Laten we met vereende krachten bouwen aan dit Vlaanderen van morgen.

 

 

Peter De Wilde

 

Documenten

Labels: