“De Munt is mijn tweede thuis”
Reisleidster Peggy Stuyck over De Munt, het koor en reizen met Davidsfonds
Op vrijdag 27 februari wacht Peggy Stuyck mij op aan de artiesteningang van De Munt in Brussel, haar tweede thuis. Ze gaat me voor door de soms smalle gangen en langs de Grote Zaal, waar op dat moment de lichteffecten gerepeteerd worden voor de opera Idomeneo, die op 10 maart in première gaat. Vlak naast die indrukwekkende zaal ligt Peggy’s kantoor: een gemoedelijke ruimte met een prikbord vol toi toi toi-kaartjes die bij premières worden uitgewisseld. Ik installeer mij in het zeteltje tegenover haar bureau en leer Peggy en haar tweede thuis beter kennen.
Hoe ben je terechtgekomen in De Munt?
“Mijn connectie met opera gaat heel ver terug. Ik ben bijna op scène geboren. Mijn moeder was danseres in de Gentse opera en heeft zelfs nog in het koor gezongen toen ze zwanger was van mij. Als kind ging ik graag mee naar de opera. Ik zat bij de naaisters of bij de schminksters, of soms zelfs op de schoot van Koen Crucke. Ik ging ook stiekem in de zaal zitten als er repetitie was. In die tijd was dat allemaal nog wat losser.”
“Ik ben zelf muziek gaan studeren in Leuven en tijdens mijn studies was ik vooral bezig met oude muziek, renaissance en barok. Opera verdween toen even naar de achtergrond, tot een studiegenoot mij een duwtje gaf. Zij gidste in De Munt en zei: ‘We hebben nog gidsen nodig, is dat niets voor jou?’ Dat was een studentenjob om een centje bij te verdienen. En plots (her)ontdekte ik dat opera eigenlijk mijn eerste liefde is.”
En sindsdien ben je blijven plakken in De Munt?
“Inderdaad. Door die rondleidingen kwam ik in contact met de persoon die de scholenwerking deed. Zo ben ik in het team publiekswerking terechtgekomen, dat o.a. instaat voor scholen- en volwasseneninleidingen. Dat heb ik twintig jaar gedaan. Heel leuk, maar na twintig jaar ging mijn diensthoofd met pensioen en dacht ik: ik ben toe aan iets anders.”

Nu werk je in het productieteam van het koor?
“Ja, een operahuis is een enorme machine. Alles is sterk opgedeeld. Je hebt een productieteam voor het orkest, voor de solisten, voor de figuratie (zoals dansers en acteurs) en voor het koor. Dat laatste zijn wij.”
“Mijn collega en ik maken de planning voor het koor. Niet in elke opera is het koor evenveel aanwezig, dus naargelang de productie zijn er meer of minder repetities nodig. Mijn collega doet vooral de langetermijnplanning als manager, terwijl ik me bezighoud met de dagelijkse opvolging: afwezigheden, ziekte, recup… Tussen de repetities door organiseer ik ook kostuumpassen, want het koor staat op scène en draagt kostuums op maat.”
“Ons basiskoor telt veertig zangers met een vast contract. Maar bij heel grote opera’s heb je meer mensen nodig. Bij Benvenuto Cellini waren het er bijvoorbeeld 56. Dan moet ik freelancers inschakelen.”
Ga je die zelf zoeken?
“We werken met een lijst, een poule. We hebben ooit audities gedaan. Ik ben nu al bezig voor het volgende seizoen: ‘ben jij dan vrij, kan jij dit doen…’ Die bezetting gefinaliseerd krijgen is belangrijk. Daarnaast moet je ervoor zorgen dat contracten en betalingen kloppen. Voor freelancers en buitenlandse zangers bestaat een aparte payroll.”
“Er is ook een verjonging bezig. Mensen gaan met pensioen, en om hen te vervangen organiseren we audities. Voor één auditie, bijvoorbeeld voor sopranen, krijg je makkelijk honderd kandidaturen binnen.”
Wat vind je het leukste aan je job?
“Mijn job omvat heel veel administratie, maar het feit dat het altijd nieuwe stukken en producties zijn, maakt het boeiend. Elk seizoen is anders. Er staat altijd één opera op scène, maar ondertussen repeteer je al de volgende. Zo zie je een productie echt geboren worden.”
“We starten altijd met muzikale repetities: mannen en vrouwen apart. Tenoren en bassen, sopranen en alten. Daarna repeteert het volledige koor met pianobegeleiding. Vervolgens verhuizen ze naar de ateliers in ons tweede gebouw achter De Munt. Dat ziet er op het eerste gezicht niet zo groot uit, maar het is gigantisch. Daar zijn de kostuum- en decorateliers en een scenische repetitiezaal, waar de volgende productie al wordt gerepeteerd. Wanneer de lopende opera wordt afgebroken, verhuizen ze naar de Grote Zaal. Dan gaat het snel: repetities zonder en met orkest, pregenerale met kostuums en decor, de generale en dan de première.”
“Ik zing trouwens ook zelf in het amateurkoor van De Munt, het Cassandra-koor. Dat is een activistisch koor dat optreedt rond thema’s zoals mensenrechten, vrouwenrechten en klimaat. Ook dat is altijd heel leuk.”
Om dan de link te maken naar je Davidsfonds-reizen: dit jaar reis je nog naar Aix-en-Provence en Milaan (Scala)?
“Ja, de reis naar Aix-en-Provence was, geloof ik, de tweede reis - na Londen - die ik begeleidde voor Davidsfonds, zo’n vijftien jaar geleden. Intussen ga ik er denk ik al voor de vierde keer naartoe. Dat is ook het fijne aan die reis: de voorbije jaren heb ik gemerkt wat werkt en wat niet, waardoor het programma nu helemaal op punt staat.”
Wat maakt het operafestival in Aix-en-Provence zo bijzonder?
“Het is een van de oudste operafestivals in Europa tijdens de zomer. Operahuizen werken met een seizoen van september tot juni. In de zomer valt dat stil en, net zoals je in Avignon een theaterfestival hebt, is er in Aix een zomerfestival dat mensen naar voorstellingen trekt. Dat bestaat al sinds de jaren ’50.”
“Het festival is begonnen in openlucht, op het binnenplein van het aartsbisschoppelijk paleis. In het begin stonden daar tribunes die weer konden worden weggerold, maar intussen is het sterk gegroeid. Er staat nu een prachtige tribune, een podium en een orkestbak. Het kader op die binnenplaats is fantastisch en de voorstellingen zijn altijd van een heel hoog niveau. Die Zauberflöte van Mozart bijvoorbeeld, waar wij naartoe gaan, wordt uitgevoerd door het orkest van Alarcón en het Belgische koor Chœur de Chambre de Namur.”
“Daarnaast gaan we ook naar de tweede hoofdproductie: Die Frau ohne Schatten van Richard Strauss. Bij Mozart kan iedereen zich wel iets voorstellen. Strauss is dan weer laatromantisch, met een gigantisch orkest en een sprookjesachtig verhaal.”
“Wat ik ook leuk vind: de reis combineert muziek met kunst. Het is een streek waar Van Gogh en Cézanne inspiratie vonden in het licht en het landschap, en waar ook vandaag nog hedendaagse kunst overal opduikt. Ook dat komt tijdens de reis zeker aan bod.”
In oktober staat Milaan op het programma, met een bezoek aan de Scala. Een hoogtepunt voor jou?

“Als ik de Scala binnenkom, denk ik altijd: wauw! Maria Callas heeft hier gezongen … De heiligheid zit in de muren. De producties zijn altijd van topniveau. Wat ik ook heel leuk vind, is dat we naar een balletvoorstelling gaan, waar ik dankzij mijn moeder ook een band mee heb. Het is bovendien een echte klassieker: Giselle, met witte tutu’s en live orkest.”
“Daarnaast gaan we ook naar Faust van Gounod, gebaseerd op het beroemde verhaal van Goethe. Daarin komen thema’s aan bod als ouder worden en het eeuwig leven. Een leuke knipoog naar Kuifje: de operazangeres die vaak voorkomt in Kuifje, Bianca Castafiore, zingt altijd ‘Ah je ris de me voir si belle en ce miroir’… en dat is een aria uit Faust. Bianca Castafiore hangt hier trouwens ook op de deur van mijn kantoor!”
Als afsluiter: wil je zelf nog iets toevoegen?
“Opera is niet één ding. Een barokopera van Händel heeft niets te maken met Puccini of met een hedendaags werk. Dat is zoals schilderkunst: een Rubens is totaal anders dan een Van Gogh. Als je een beetje weet uit welke tijd iets komt en waar je op kan letten, geniet je zoveel meer. Dat is ook wat ik mensen graag wil meegeven: niet alles verklappen, maar een werk in zijn context plaatsen en enkele luistersleutels meegeven. Dat maakt de ervaring nog rijker.”
Bekijk de reis naar Aix-en-Provence >
Bekijk de reis naar Milaan (Scala) >